Flessenpost: aan mijn naasten

Afscheidsbrieven van Mika ~ 21 oktober 2013

Vooreerst ~

A a n    m i j n   n a a s t e n :

Wie dit schrift vindt en van de titel schrikt; doe dat niet.
Het is niet wat je denkt dat het is.

Mocht ik in de tussentijd zijn doodgegaan (waarvan ik vrijwel overtuigd ben dat dat niet gebeurt, in ieder geval niet door mijn toedoen), trek dan geen onnodige conclusies. Mijn afscheidsbrieven zijn niet bedoeld om naar de dood toe te schrijven, en al helemaal niet om voorgoed afscheid te nemen. Doorgaans gebruikt iemand daarvoor ook gewoon één brief, dus wees gerust.

Laat nu de dood echter wel de reden zijn dat ik schrijf.
Om precies te zijn: de aanstaande dood van Kees.
“Zover is het nog niet hoor”, zei mam laatst ~ troostend haast, toen ik zacht zei:
“Dus… Kees gaat dood.”

Het was pas toen ik het hardop uitsprak dat ik de ernst van de situatie tot mij liet doordringen. Die kutkanker ook. En toen kwamen de tranen.

Kees, de man die altijd lacht.
Inherent daaraan: de mensen die om hem heen staan.

En ik vraag mij af, waarom juichen we bij een geboorte en doen we zo spastisch over de dood? En, wat doen we in de tussentijd?

Ik zit midden in die tussentijd. Tenminste, zo voelt het. Laten we hopen dat het zo is. Laten we er voor het gemak even vanuit gaan. Ik ben 36. Ik hoef nog niet dood. Kees haalt mijn getal nog niet eens omgekeerd. Ook hij hoeft nog niet dood. Maar hij gaat. Dat staat vast. En wij blijven. Vooralsnog. Even.

Ik weet niet hoeveel tijd Kees nog heeft om zijn vragen beantwoord te krijgen. Aangenomen dat hij die heeft. Ik weet niet hoeveel tijd hij krijgt om antwoorden te geven, aangenomen dat hij nog wel wat zaken heeft openstaan. En dat zeg ik niet omdat ik hem goed ken, maar omdat er maar weinig mensen zijn die vertrekken zonder openstaande rekening.
Krijgt hij de kans te zeggen wat hij wil zeggen, terwijl de medici hem bestralen, vergiftigen, prikken, sussen en zijn leven zolang als het lukt verlengen? Krijgt hij de kans vragen te stellen, te praten, goed te maken, zich te openen? Of zijn dat slechts mijn gedachten bij een naderende dood? De naderende dood die van de mens een teunisbloem maakt, die zich opent voor het donker valt.

Zo zonde heb ik dat altijd gevonden voor de mensen die bijvoorbeeld plotseling doodgereden worden. BAM! Geen mogelijkheid meer om in vol bewustzijn stil te staan bij het leven. Alleen even dat korte moment, die ene bekende film, voor je wegvliegt. Want ja, zo heb ik mij de dood wel altijd voorgesteld: als het moment waarop je eindelijk (weer) kunt vliegen. In dat opzicht kijk ik er wel naar uit.

Maar ik loop op de zaken vooruit. Ik leef. Nog.

En terwijl ik gisteren een brief schreef aan Kees, besefte ik plots wat mij te doen stond. Want waarom schrijf ik hem nu? Nu ik weet dat zijn dood nadert? Waarom schreef ik hem niet eerder?

      Zoveel mensen komen, zoveel mensen gaan.
En slechts in een glimp lachen we naar elkaar,
doen we elkaar iets aan
of gaan we samen vol de diepte in.

Al jaren zit ik om te klooien in teksten en verzonnen verhalen, om een klein lampje op te doen in de diepte van mijzelf. Een schemerlampje dat woorden en zinnen korrelig laat verschijnen. Het zijn verhalen die niet van mij zijn, en toch ook weer wel. Ik sta perplex van wat mijn geest baart. En zoals dat bij baren gaat (althans, dat heb ik van horen zeggen): doet elke bevalling pijn.

Elk hoofdstuk dat met een plons vruchtwater mijn broedkamer verlaat, laat weeën na. Pijnscheuten in het onderlijf. Misselijkheid. De ijzergeur van bloed.

Waarom wil ik schrijven? Mijn opa vroeg: “Wat wil je later worden meisje?” En ik antwoordde: “Schrijver oop. Ik wil schrijver worden.” Ik was toen acht jaar. En na de witte leegte, wist ik waarover ik zou schrijven. Dat zowel het goede als het kwade in mij huist. Waarom bestaat er goed en fout, hardheid en zachtheid, mooiheid en lelijkheid. Omdat het één niet zonder het andere kan bestaan, zo simpel blijkt het te zijn.

Na die leegte kwam de volheid.
En die volheid van het bestaan heeft me genekt.

Dat maakte dat ik wezenlijk wilde onderzoeken hoe wij aan onze zieke geesten komen. En ik zou ons allen niet over één kam moeten scheren, ik moet het bij mijzelf houden: ik wilde onderzoeken hoe mijn geest ziek werd. En toch, sta ik daarin vermoedelijk niet alleen.

Jarenlang heb ik er personages voor bedacht. Geen van hen zag het licht, allen waren deel van mij. Het mij meest dierbare personage was een vrouw die na de dood van haar vriendin, met een paar flessen champagne die zij in de kist koel hield naast de lijkstijve benen van haar geliefde, aan diezelfde kist hing om alles te zeggen wat zij tijdens het leven niet had gezegd.

Dat is, merk ik, één van de thema’s in mijn bestaan.
Niet te verzwijgen wat is gebeurd.
Maar wij mensen zijn raar.
Wij zwijgen.
Tot de dood ons scheidt.

En nu Kees dood gaat en ik weer levend wakker lig, dacht ik: NU is het moment te schrijven wat je nooit hebt geschreven Mika. Zonder zelfbedachte zieke personages, gewoon rauw, puur zoals het is.

Brieven aan geliefden, aan vrienden, aan vijanden, aan oude bekenden, aan mensen die ik pas heb ontmoet. Afscheidsbrieven zijn het evengoed. Omdat na elke zin een nieuw leven begint. Het is je reinste celdeling. Afbreken en weer opbouwen. Afsterven en nieuw leven beginnen. Het zaadje blijft altijd bestaan, het is ’t omhulsel dat telkens nieuwe vormen krijgt. Ik ben dat omhulsel en in mijn leven ben ik al vaak verveld.

Altijd heb ik gedacht: ik schrijf maar één boek, dat moet het zijn. Daarna is het klaar, rond, af. Nooit was iets goed genoeg en nu weet ik waarom. Het was de waarheid niet.

Het was verzonnen.
Geen gelul meer.
Ik zal schrijven.

Geen idee hoe lang het gaat duren, geen idee waar ik moet beginnen (want, wie schrijf je de eerste afscheidsbrief? Misschien moet ik als eerste mijn eigen zieke geest schrijven, een metafoor bedenken voor degene die ook in mij huist. Lief en dik. Afstotelijk en bekoorlijk tegelijk. Meerdere talen sprekend. Soms levend, soms dood. In sluimertoestand allicht.

In wezen was het Kees die de eerste ontving. Een brief over de dood en over het leven. En dat die twee in wezen gelijkstaan aan elkaar.

Dus ja ~ misschien schrijf ik naar de dood toe, maar dan ook net zo goed naar het leven.

Dit is het.
Meer kan ik er niet van maken.
Het is mijn waarheid ~ niet die van een ander.
Het maakt deel uit van mij.
Het maakt deel uit van mijn vervelling.
Mijn groei en mijn ontbinding tegelijk.
Mijn daden en de vraag om vergiffenis.
Mijn liefde voor het leven en
de zelfverkozen verslavingen die mij tijdens dat leven stukmaken.

Waarom zou ik nog langer iets creëren wat niet echt is?
Terwijl dat wat echt is al de allure van fictie heeft?

Afscheidsbrieven.
Daarom.

Ik neem afscheid, terwijl ik blijf bestaan.

Mika

About Mika Backer

Ik schrijf mijn brieven, stop ze in een fles, sluit die af ~ en laat ze achter. Op deze website post ik mijn verhalen, over mensen die ik ken of heb gekend. Zie het als een ode aan mijn vrienden, aan het leven, aan de dood. Alles wat je ziet ~ film, beelden, muziek, poëzie, proza en mijn brieven ~ leidt tot één verhaal. Uiteindelijk. Zelf ken ik het einde ervan ook nog niet.

One Comment

  1. Michael

    Schrijf mijn afscheidsbrief voordat er een zweem van strefte door mij uitgestraald wordt ! Het leven is te mooi om te wachten !maar een brief van jou schone schrijfster is als een gedicht wat in diepere lagen van gevoel en geheugen beklijft ! Laat het al drijvend zijn weg naar mij vinden door de dragende kracht van de lucht door jou bezwangerd die het glas doet dobberen in de rimpels van ons bestaan ! X

Geef een reactie