Brief aan de meester

Deze brief liet ik achter op een podium in Sneek ~ de flessenpost werd meegenomen; een handgeschreven brief met een lengte van zeker twee meter… de inhoud ervan reikt veel verder dan dat ~ 

Meester van de vierde klas, leave,

De eerste vraag die in me opkomt bij deze aanhef is: kan ik je wel lieve noemen? Maar ik heb mijzelf beloofd dat ik elke afscheidsbrief die ik schrijf, aan vriend of vijand, begin met een warme groet. Niet om met een witte vlag in de hand aan te komen galopperen, of als mea culpa (wat in ons geval overigens niet ter sprake is; daarvoor zou jij mij moeten schrijven ~ en vele anderen bovendien), maar om aan te geven dat ik (eindelijk) inzie dat wij allemaal gelijken zijn.

Dat heb ik van Mimi geleerd. In jouw geval leidt zo’n uitspraak tot controverse, maar welbeschouwd besta jij uit dezelfde materie als waaruit ik besta. Welnu, dat maakt ons niet direct vrienden, maar ik heb mijzelf de belofte gedaan dat ik iedereen wil aanspreken zoals ik ook mijzelf zou aanspreken. Ik schrijf niet: ‘Mika, jij zieke geest,’ nee, ik zou ‘Mika, leave’, schrijven aan mijzelf. Ook al zijn er veel dingen in mijn leven gepasseerd die ik liever anders had gezien.

Dus, meester, leave, ik schrijf je, om afscheid van je te nemen.
En om even terug te komen op ‘het open einde’ waarmee je me opzadelde de laatste keer dat wij elkaar zagen. Dat is nu zo’n zesentwintig jaren geleden.

In die tijd beschouwde ik je wel degelijk als een vriend, al lagen de verhoudingen wat scheef. Hoe moet jij je hebben gevoeld als ik weer eens een optreden deed? Wat ging er in je om? Waarom was alleen ik het die het voorrecht had om thee voor je te halen in de koffiekamer? Ik was vereerd, vergis je niet, dat had je goed in de gaten. Maar met de wijsheid van later, vraag ik me af: was dat een manier om in het gevlei te komen? Beter gezegd: om mij ~ dichter bij jou te laten komen? Je had mijn leven goed kunnen verpesten, maar je verkoos mij boven de anderen als je lieveling. En… toch ook weer niet, en… toch juist weer wel. Want toen het erop aankwam liet je me links liggen, al wist ik dat pas later. Je weet niet half hoe dankbaar ik daarvoor ben.

Gek genoeg heb ik me wel nog vaak afgevraagd waarom je dat deed. Het MOET zijn omdat je het niet aandurfde. Ook heb ik me altijd afgevraagd bij wie je het wel durfde. Goor LEF. Zo noemen ze dat.
VIES. GOOR. LEF.

‘Everybody screamed, when I kissed the teatcher’

Er zijn vaker in mijn leven mannen in de buurt geweest die het met kleine meisjes deden. Of tenminste: hun lul uit de broek haalden om zich eens lekker in de hoek af te rukken. Ik heb een tijdje in een soort gym- c.q. bewegingsklasje gezeten. Alleen al het feit dat ik niet meer precies weet of het nu gym of iets anders was, zegt in wezen genoeg; er was een grijs gebied.) Grote lol echter! Als kind. In het zaaltje spande de gymleraar stevige elastieken als een soort net door de ruimte. Wij mochten daarin ‘rousen’, werkelijk: het was alsof je vloog! Het elastiek zo ver mogelijk uitrekken ~ en dan jezelf lanceren. Wieieieieiew!

‘And they must have thought they dreamed,
when I kissed the teacher’

Hij had het goed bedacht die smeerkees: springende en vliegende meisjes om zich heen. Zelf zat hij in de hoek van het zaaltje. Ik sloeg geen acht op hem, ging totaal op in mijn spel ~ net als hij, kennelijk.

Op een dag mochten we niet meer naar Kees zijn leuke lesje.
“Waarom dan niet mama?”
Ik kan me alleen nu als volwassene indenken hoe mijn moeder moet hebben geworsteld met dat antwoord. Ik kan me niet herinneren of ze lang of kort over de formulering heeft gedaan. Ik weet nog wel exact haar inleiding:
“Kees is opgepakt door de politie.”
Ik kan je vertellen: dat maakt indruk op een zevenjarige.
Ik moet er niet aan denken wat voor indruk het op mijn moeder moet hebben gemaakt.
Dat ik in een klasje zat waar..

“Waarom dan mama?”

“Nou, lief,…” Ze heeft het uitgelegd, ik weet niet met welke bewoordingen, maar het beeld van een man die met zijn hand over zijn kruis wrijft staat me nog altijd helder voor ogen.
“Waarom doet hij dat dan mama?”

En zij zal haar schouders hebben opgehaald. Allicht.

‘All my friends at school
they had never seen the teacher blush
he looked like a fool
Nearlhy petrified ‘cause he was taken by surprise
When I kissed the teacher’

De LP was van mijn vader. Volgens mij was het die plaat waar het viertal op stond bij een helikopter met een glazen kap. Als ik heel voorzichtig de naald op de pick-up legde, mocht ik zijn langspeelplaten afspelen. Ik heb me suf gedanst.
Later kreeg ik mijn eigen pick-up.

In mijn puberteit kocht ik singels van Doe Maar en de Dolly Dots, maar op de basisschool had ik nog een ouwe plaat van Fats Dominio, waarop ik met een zwarte paraplu in de hand op mijn kamer danste: ‘I found my thrill, on blue berry hill’.

De danspasjes tekende ik uit op papier. Benodigdheden, schreef ik erboven: ‘paraplu en zwarte hoed’. Die laatste had ik niet, maar de paraplu volstond. Het publiek dacht ik erbij. De zaal was standaard uitverkocht, zoveel was duidelijk. Ik was iemand met talent.

Dat talent uitte ik op school elk moment waarop het niet kon. Ik danste de dagen door. Ik playbackte tot al mijn klasgenootjes er flauw van waren om als achtergrondkoor te dienen. In een wit pak stond ik voor een half lege klas (de andere helft stond achter mij) en playbackte ‘Sailing home’ van Piet Veerman. ‘Feeling YOUNG! Feeling STRONG! And tonight, there’s a fight, and nothing can go wrong.’ Strijdlustig hief ik mijn vuist. Misschien heeft die strijdlust me gered.

Want mijn eeuwig favoriet was ABBA.
Liefst in mijn eentje vertolkt. Ik was Björn, Benny, Agneta en Frida in één. En het liefst, had ik ook alleen voor jou opgetreden. De klas dacht ik weg.

Je moet het hebben gezien.

‘One of these days,
gonna tell him I dream of him every night.
One of these days,
gonna show him, gonna teach him a lesson alright.’

In die tijd kreeg je in de vierde klas (dat zal nu groep 6 heten denk ik) geen Engels, maar ik wist dondersgoed waar het lied over ging. En jij hebt heel goed geweten dat ik het meende, wat ik stond te playbacken.

Mijn verraad heeft je diep geraakt, weet ik nog. Aan mijn onbezorgde leventje als clown van de klas kwam abrupt een einde toen een nieuw meisje haar entree deed in de vijfde. Lang donker haar. Er gebeurde iets in de klas. Een siddering. Ik kon mijn vinger er niet op leggen, maar er veranderde iets. De sfeer veranderde. De rangorde eveneens. En hoewel ik het spreekwoord niet kende, volgde ik de strategie: ‘If you can’t beat them, join them.’ Want dat de jongetjes verliefd op haar waren, was direct wel duidelijk en dat de meisjes haar wilden zijn, eveneens.

Dus toen zij me op een goede dag aanspoorde om niet jouw twee geliefde suikerklontjes in de thee te doen, maar een grote schep zout, besloot ik haar advies te volgen. Ik was bang dat ze mij anders zou kiezen om te pesten, in plaats van het meisje dat altijd naar pis stonk. (En laat dit nu een motivatie zijn geweest waar ik later nog heel vaak over heb nagedacht: hoe zou ik handelen in een oorlog? Ik heb mij diep, diep, diep geschaamd en houd mijzelf nog altijd voor dat ik veranderd ben.) De spanning gierde door mijn keel, ik kan het zo weer oproepen. Zelf zou ik zoiets NOOIT bedacht hebben. Het idee alleen al bezorgde een onverdraaglijke hitte. Maar goed, ik zette de zilte thee voor je neer en ging zitten. Het nieuw meisje knipoogde naar me.

Het duurde lang voordat je een slok nam.
Je spuugde het direct WOEST op het tapijt.
Je kille blik.
Ik kromp ineen.
Geen lachende klas.
Je kon een speld horen vallen nadat je me met zichtbaar ingehouden woede vroeg wat er in die thee zat.
Weet je nog?

Ik schrijf je deze afscheidsbrief niet om mijn excuses aan te bieden voor het zout. Ik schrijf je om je te bedanken dat je me hebt gestraft door mij op de gang te zetten die dag. Je had me ook op een heel andere wijze kunnen aanpakken.

Nooit meer heb ik voor je geplaybackt, al staat het nummer van ABBA nog altijd gelijk aan de herinnering aan jou.

Ik kwam je tegen bij het kanaal. Jaren later.
Ik was ver bij mijn ouderlijk huis vandaan.

Normaal rende ik na een puberale ruzie waarbij ik mijn vader tot wanhoop dreef over de dijk langs het water. Dit keer had ik de fiets gepakt om de storm die in mij woedde tot bedaren te brengen. De blijdschap die ik voelde toen ik kilometers van mijn ouderlijk huis verwijderd jou over de brug zag lopen. We hadden elkaar lang niet gezien. Het zout-incident lag in het verleden.

Je vroeg me wat me zo ver van huis bracht.
Ik moet over de ruzie met mijn vader hebben verteld.

Waarom anders had je toen ineens wel het lef dat je in al die jaren daarvoor op de basisschool niet had gehad? Wat dacht je? Ik geef haar wat vaderlijke troost? En vergat je daardoor even een moment, dat vaders op die manier niet (horen te) troosten?

Jij kuste mij.
Je stak daarbij jouw tong in mijn mond.
Een fractie.
Het was een fractie van een seconde,
waarin mijn hele wereldbeeld veranderde.

Ik heb je recht in de ogen gekeken voordat ik hard – heel hard – bij je vandaan fietste. Het omkeren duurde een eeuwigheid omdat ik het wiel van mijn fiets telkens onhandig op mijn voet plaatste. Terug naar huis. Terug naar mijn vertrouwde geliefde ouderlijke huis, waar ik een vertrouwde, gehate, maar oh zo welkome puberstrijd voerde met mijn vader.

Later, vele jaren later, hoorde ik dat je was opgepakt. Dat je vastzat. Dat je jaren lang (wie weet hoe lang?) je had vergrepen aan de meisjes in je klas. De meisjes van wie jij de meester was.

‘Drie maal drie is nehegen, ieder zingt zijn eigen lied.’

 En waar jouw woeste reactie op de zilte thee mijn kinderliefde niet kon bekoelen, deed de kus waar ik nota bene jaren over gedroomd had, dat wel. Soms moeten dromen dromen blijven, willen ze recht doen aan het leven.

Ik moet je hebben getart met mijn dansen, playbacken en springen.
Wat heeft mij gevrijwaard?
Wie heb je wel gepakt?
Wat heb je met ze gedaan?
Waarom kon je je niet beheersen?
Waar komt zoiets vandaan?
Een kind is verliefd,
de meester voelt iets groeien in zijn broek,
het kind zingt een lied,
de meester kijkt,
het kind danst,
de meester lacht,
het kind verraadt,
de beer is los.

Als ik dit al meedraag als beschermd, klein gelukkig meisje dat ik was, wat dragen die andere meisjes dan met zich mee? Ik kreeg slechts het puntje van jouw tong waarmee je een hele nieuwe smerige wereld voor mij schetste, een wereld die ik als kind nog nooit had gezien. Wat heb je voor die andere meisjes getekend? Iets met penceel? Een beetje papier-maché? ‘Kijk, zo maken we een klein poppetje, zie hier de kranten – nee – lees het nieuws maar niet – handjes in het behangplaksel, kom maar, hier, ik help je wel.

Raak je zoiets kwijt? Nee. Nee dus. Nee.

Mijn vriendin Mimi zei altijd:

“Ware vreugde zit hem in het loslaten.”

Loslaten van wat je ooit zo diep heeft geraakt.

Ik stop jou als helium in een ballonnetje. Ik zeg vaarwel. Ik wens je toe dat jij op jouw beurt om vergiffenis hebt gevraagd en spijt hebt betuigd. Ik doe dat op mijn beurt bij deze, aan de meisjes, want ik danste ~ het spijt me ~ ik danste en playbackte zo graag.

Mika

 

 

 

 

About Mika Backer

Ik schrijf mijn brieven, stop ze in een fles, sluit die af ~ en laat ze achter. Op deze website post ik mijn verhalen, over mensen die ik ken of heb gekend. Zie het als een ode aan mijn vrienden, aan het leven, aan de dood. Alles wat je ziet ~ film, beelden, muziek, poëzie, proza en mijn brieven ~ leidt tot één verhaal. Uiteindelijk. Zelf ken ik het einde ervan ook nog niet.

Geef een reactie